Omzet is niet je winst, en winst is niet wat er belast wordt. Drie begrippen, drie bedragen, en elk bepaalt iets anders: je btw-regime, je sociale bijdragen en je belastingen. Hier zie je het verschil, met een rekenvoorbeeld.
Omzet: wat je factureert 💰
Je omzet is de som van alles wat je aan klanten factureert, exclusief btw. De btw die je aanrekent, is nooit jouw geld: die gaat door naar de overheid.
Omzet is het cijfer waaraan verschillende drempels worden getoetst. De vrijstellingsregeling voor kleine ondernemingen kijkt naar €25.000 omzet. Ga je over de btw-omzetgrens, dan verandert je btw-regime.
Brutowinst: omzet min je aankopen 📦
Verkoop je goederen, dan is er een tussenstap. Je brutowinst is je omzet min wat die verkochte goederen je gekost hebben. Dat cijfer heeft een eigen plaats in je aangifte, en het is ook de basis voor het kostenforfait. Die brutowinst is dus meer dan een tussenstap.
Lever je diensten en verkoop je geen handelsgoederen, dan valt die tussenstap weg.
Winst: omzet min al je beroepskosten 🧮
Je winst is je omzet min alle kosten die je maakt om die omzet te halen: materiaal, software, verplaatsingen, verzekeringen, je boekhouder. Welke kosten je mag inbrengen hangt af van vier voorwaarden. Daarbij is het dus ook belangrijk dat je een bewijsstuk hebt om de kost aan te tonen.
Heb je niet veel kosten? Dan kan je ook een forfait gebruiken. Of forfaitaire kosten voordeliger zijn, hangt af van je werkelijke kosten.
Netto belastbaar inkomen: winst min je sociale bijdragen 📉
Je sociale bijdragen zijn zelf een aftrekbare kost. Trek je die van je winst af, dan hou je je netto belastbaar inkomen over. Dat is het bedrag waarop de belastingschijven worden toegepast, en het is ook het bedrag dat bepaalt of je nog fiscaal ten laste blijft van je ouders. Dat is je netto belastbaar inkomen.
Let op de volgorde: je sociale bijdragen worden berekend op je winst vóór aftrek van die bijdragen. Je sociale bijdragen zijn zelf ook een aftrekbare kost.
Eén voorbeeld, van omzet tot belasting
Stel: je bent zelfstandige in hoofdberoep en levert diensten. Voor inkomstenjaar 2026 zien je cijfers er zo uit.
| Bedrag | |
|---|---|
| Omzet, exclusief btw | €50.000 |
| Beroepskosten | − €12.000 |
| Winst | €38.000 |
| Sociale bijdragen, ongeveer 20,5% | − €7.790 |
| Netto belastbaar inkomen | €30.210 |
Op die €30.210 komen de belastingschijven. Voor inkomstenjaar 2026 geeft dat €4.180 in de eerste schijf, €5.116 in de tweede en €315 in de derde, samen €9.611. Daar gaat nog de korting voor de belastingvrije som af, €2.887,50, waardoor je op ongeveer €6.723 federale personenbelasting uitkomt. De gemeentebelasting komt daar nog bovenop.
Van €50.000 omzet blijft er dus, na kosten, bijdragen en belastingen, ruwweg €23.500 over. Precies daarom is “hoeveel factureer je?” een heel andere vraag dan “hoeveel hou je over?”. Hoeveel je overhoudt, hangt af van de belastingen.
Tip
Zet vanaf je eerste factuur een deel apart. Reken grofweg op de helft van je winst voor je bijdragen en je belastingen samen, en je komt zelden voor verrassingen te staan.
Waarom dit onderscheid telt
- Je btw-regime hangt af van je omzet.
- Je sociale bijdragen hangen af van je winst.
- Je belastingen hangen af van je netto belastbaar inkomen.
- Of je ten laste blijft van je ouders hangt af van je netto bestaansmiddelen, en die grens ligt op €12.300.